Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Door Thijs Kramer
Nadat Johann Sebastian Bach negen jaar in het vorstendom Weimar en zes jaar in het vorstendom Cöthen gewerkt had, als hofmusicus, verhuisde hij in 1723 naar Leipzig, waar hij zijn zonen een universitaire opleiding kon laten volgen. Goethe zou later schrijven "Mein Leipzig lob' ich mir, es ist ein Klein-Paris und bildet seine Leute". Bach werd aangesteld als muziekdirecteur van de stadstaat Leipzig, zijn functie viel onder het burgerlijk bestuur van raad en burgemeester. Als gevolg van deze positie is Bach, zoals bekend, tegen onverkwikkelijke politiek getinte moeilijkheden aangelopen. Bach was verantwoordelijk voor de muziek die tijdens de kerkdiensten in vier kerken, waarvan de Thomaskirche en de Nikolaikirche de voornaamste waren, ten gehore werd gebracht, hij kreeg opdrachten van stad en universiteit, leidde het studentenorkest Collegium Musicum en gaf muziekonderricht en Latijn aan de Thomasschule. Deze was direct naast de Thomaskirche aan de westelijke stadsmuur gelegen. Bach bewoonde als cantor met zijn gezin de zuidelijke (linker) vleugel van het gebouw, parterre en twee etages. De school besloeg het middenstuk, de rector woonde in de rechter vleugel. De renovatie annex verbouwing van mei 1731 tot juni 1732, door Bach en de nieuwe rector Gesner bevochten, leverde twee extra verdiepingen op, plus minstens één interne brandtrap. In het midden van het gebouw en over de gehele lengte van de zolder bevonden zich de woon-, slaap- en eetgelegenheden voor de interne leerlingen, de klaslokalen, een deel van de schoolbibliotheek, de repetitieruimten voor koor en orkest en wat dies meer zij.
In 1902 is de Thomasschule niet door natuurgeweld verwoest, maar 'gewoon' door mensenhand gesloopt. De locus delicti is nu gedeeltelijk trottoir en rijweg, gedeeltelijk tuin van de pastorie die naast de kerk is gebouwd. Het schijnt de Bachgeleerde Bernhard Richter geweest te zijn die zoveel plaatsvervangend historisch besef en artistiek geweten had, dat hij vlak voor de afbraak nog een paar foto's liet nemen. Een van de foto's van het ontruimde interieur toont een hoek en het meest noordelijke raam van wat in 1902 nog altijd bekend stond als 'die Komponierstube', de componeerkamer van de cantor. Deze hoekkamer lag op het zuidwesten, op de tweede verdieping, en was dus door de lichtinval de meest geschikte voor iemand die veel te schrijven had. Met zijn vier vensters was het de grootste kamer van de woning (iets groter zelfs dan de recht eronder gelegen huiskamer op de begane grond). Bach had dan ook veel ruimte nodig voor schrijftafels en schrijflessenaar (ook Mendelssohn had nog een lessenaar waaraan hij staande las en schreef, zie de werkkamer in zijn laatste huis, nu Mendelssohn-Museum, Goldschmidtstraße 12 in Leipzig, niet gesloopt en in 1944-45 ongeschonden gebleven) en voor zijn omvangrijke privé-bibliotheek, die voor beoefenaren van zijn beroep een onmisbaar stuk werkkapitaal betekende. Naast een aantal boeken lagen er zijn vele composities: partituren, koorpartijen, orkestpartijen, en ook de muziek van andere componisten, die hij verzameld had. Een etage lager bevond zich een smalle kamer die op de bouwtekening als bibliothek is aangeduid; maar daar hebben Bach en de school zeker niet genoeg aan gehad. Bovendien was het licht dat door het enige raam in dit kamertje viel niet voldoende voor Bach, die in zijn jeugd al veel van zijn ogen had gevergd.
Het is in deze Componirstube (zoals men in Bachs tijd schreef), met uitzicht over de buitenmuurse uitgestrekte siertuinen, parken (Bosens Garten, Rosenthal) en promenades, dat Bach ca. 1728 zijn Matthäus-Passion componeerde (die gross Bassion, zoals zijn zoon Carl Philipp Emanuel in Saksisch dialekt op het omslag van de partijen schreef) en deze ca. 1735 uitwerkte tot de versie voor twee koren en twee orkesten die sinds Mendelssohns revival van de MP in 1829 uitgevoerd pleegt te worden.
Bij het afbreken van de Thomasschule, wat in 1902 nog met de hand gebeurde (plank voor plank, bint voor bint, veel materiaal werd herbruikt), kwamen vier schoolschriften van Bachs oudste zoon Wilhelm Friedemann (*1710) uit de jaren 1723-27 te voorschijn. Ze waren tegelijk met stapels andere afgedankte schriften in wandtapijtvoeringen genaaid die sommige vertrekken tegen geluidsoverlast beschermden. Bij de Latijnse opgaven is de helpende hand van moeder Anna Magdalena zichtbaar. Of sommige notities in de marge van zijn vader zijn, is niet zeker. Bach liet de Latijnse lessen graag aan een andere leraar over, maar bij ziekte van die vervanger zal hij toch wel hebben moeten inspringen, zodat aangenomen kan worden dat hij zijn zoontje nu en dan in de klas had. Sommigen willen in een caricatuur - zonder pruik! - die Friedemann kennelijk tijdens de les in een schriftje getekend heeft, zijn vader J.S. Bach zien, maar uitsluitsel is daar onmogelijk over te geven.
Van Bachs ambtswoning met de Componirstube resten een paar afbeeldingen, waaronder een aquarel en een tekening van Mendelssohn, maar de muziek die Bach daar schreef, is school, stad en staat ontstegen. Hoogstens denken we bij sommige verstilde of juist heftige passages in die muziek even terug aan de natuurtaferelen die zich met de vaste cirkelgang der Tageszeiten (Telemann) en Jahreszeiten (Haydn) aan Bachs vensters aandienden, de idylle van de vrije vogels en hun gevarieerde zang, de getemde natuur in de geometrisch geproportioneerde tuinen die zich onder de stadsmuur westwaarts uitstrekten, maar ook aan Blitze und Donner en de stormregens die pal op zijn ruiten kletterden. Bach woonde niet echt in een toren, maar was in elk geval niet begraven tussen de stadshuizen in het stadsrumoer. Hij kon in rust werken en dacht daarbij misschien met Goethe "Dem Turme geschworen, gefällt mir die Welt".