De dubbelkorigheid in Bachs Matthäus-Passion

Door Thijs Kramer

 

Eerst maar eens het begrip ‘koor’. De term wordt gewoonlijk gebruikt om een zangkoor aan te duiden, maar heeft in de vakliteratuur nog altijd de meer uitgebreide betekenis van ‘een groep musicerenden’, dus instrumentalisten en/of zangers. Bach schreef de MP a due Cori, wat in dit geval neerkomt op ‘voor twee koren en twee orkesten’. Slimme koorleden zullen zeggen dat Bach het jongenskoor vergeten is, hij had moeten schrijven a tre Cori.

 

Het eerste orkest speelt doorlopend met het eerste koor mee en het tweede orkest met het tweede koor. Orkest 1 begeleidt ook alle Christusrecitatieven en de Evangelist. T.a.v. de overige solisten zijn de orkesttaken verdeeld. In de koralen zingen en spelen beide cori dezelfde noten; de muziek is mono, de klank stereo, om het fout maar duidelijk te zeggen.

 

De oerversie van de Matthäus-Passion (uit 1729, misschien 1727), is voor dubbelkoor, twee driekwart-orkesten en één continuogroep (celli, contrabassen, fagot, orgel) geschreven. De partij van het ‘jongenskoor’ werd niet gezongen maar op het orgel gespeeld. Zelfs in de partituur van de tweede versie (première 1736) is die partij nog voor de twee orgels bestemd. Als er geen zangpartijen voor het ‘jongenskoor’ bewaard waren gebleven zouden we niet eens weten dat Bach ooit besloten heeft die instrumentale cantus firmus (CF) te laten zingen. ‘Jongenskoor’ zet ik tussen aanhalingstekens omdat de sopraan- en altpartijen van de koren onder Bach natuurlijk óók door de jongens van de Thomasschule gezongen werden.

 

Bach schreef de Matthäus-Passion  voor twee vierstemmige zangkoren, tweemaal SATB. Er zijn dus twee sopraanpartijen, idem dito twee alt-, tenor- en baspartijen. We spreken dus van S I en S II of nog verwarrender van eerste en tweede sopranen, dito A/T/B, terwijl die aanduidingen normaliter voor hoge en lage S-A-T-B gebruikt worden. Met stemomvang heeft Bachs indeling in S1 en S2, A1 en A2 enz. niets uitstaande, beide partijen hebben ongeveer dezelfde tessituur, kort gezegd de gemiddelde toonhoogte over de hele partij genomen. Vergelijking van beide partijen is gemakkelijk omdat ook de gemiddelde toonlengte, de op te brengen inspanning (opeenhopingen van hoge lange noten bijvoorbeeld drijven de tessituur op) en het stemgebruik (men zingt in dezelfde stijl) ongeveer gelijk zijn.

 

Toch is er een verschil tussen beide koren

Koor II heeft iets meer te zingen dan koor I, dat in het openingskoor aanzienlijk meer en moeilijker werk doet dan koor II en bovendien de drie apostelkoren voor zijn rekening neemt. Koor II zingt bij O Schmerz en Ich will bei meinem Jesum wachen, en roept Laßt ihn, haltet. Alles bijelkaar een redelijk evenwichtige verdeling. Na de pauze zingt koor I in het slotkoor nog een paar veeleisende maten, maar koor II treedt aan bij het gevaarlijke Ach, wo ist mein Jesus hin (hoog, zacht, soepele zang gevraagd), de aria Sehet, het koortje Wahrlich en Mein Jesu, gute Nacht. Dit verschil maakt, dat voor nieuwkomers die de hele MP onder de knie moeten krijgen koor I in principe een gemakkelijker opstap is dan koor II.

 

Lang vóór Bach werden al stukken voor twee, maar ook voor drie en vier koren geschreven, die elk op zich weer vijf- en zesstemmig enz. konden zijn, bijv. SSATTB. In Venetië is het een hype geweest. Bach zelf heeft diverse stukken voor dubbelkoor geschreven (motetten, Hohe Messe). De Matthäus-Passion staat niettemin apart in het gebruik van twee grote orkestbezettingen en de in alle opzichten kolossale ambitus en verreikende ambitie (omvang en streefdoel) van het werk als geheel. Zeker is dat Bach een ruimtelijk gescheiden opstelling van zijn drie ensembles geprobeerd heeft, maar onbekend is in hoeverre hem dat in de Thomaskirche gelukt is, als hem een complete scheiding al voor ogen stond. We weten alleen dat Bach in 1736 de twee orgels gebruikt heeft. Te veronderstellen dat hij Coro I en II geheel gescheiden heeft kunnen opstellen is een slag in de lucht, de hypothese laat zich met niets onderbouwen, wel er zijn argumenten tégen aan te voeren, meer valt er in kort bestek niet over te zeggen.

 

Of Bach met deze schrijfwijze een speciale bedoeling had is evenmin bekend. Je kunt hoogstens het volgende stellen. Het lijdensverhaal waarop de Matthäus-Passion  gecomponeerd is begint bij Mattheus met hfdst. 26:1 en wordt onmiddellijk voorafgegaan door Jezus’ Rede over de laatste dingen (hfdst. 25), die besluit met de beschrijving van de dag des oordeels, de Dies irae, waar de bokken van de schapen gescheiden zullen worden. Jezus' laatste woorden

zijn: "Voorwaar, ik zeg u, inzoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt ge het ook aan mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven." Op deze tweedeling sluit de dubbelkorigheid van het openingskoor rechtstreeks en zinvol aan.