Meer dan tweehonderdtachtig jaar Matthäus-Passion
Door Thijs Kramer
Bach componeerde zijn Matthäus-Passion (in het vervolg: MP) in Leipzig, waar hij in 1723 tot stadsmuziekdirecteur en cantor aan de Thomaskirche was benoemd. Hij voerde de MP waarschijnlijk op 15 april 1729 voor het eerst uit, al is 1727 niet geheel uitgesloten. Voor deze eerste uitvoering(en) was de MP reeds dubbelkorig opgezet, maar er speelde één orkest. In 1736 zette Bach de volgende stap: hij splitste ook het orkest in tweeën. Bij deze gelegenheid verving hij tevens het korte koraal Jesum lass ich nicht von mir, dat in 1729 deel I besloot, door de grote koraalfantasie O Mensch, bewein dein’ Sünde gross. Uit het dagboek van de koster van de Thomaskerk blijkt dat Bach toen ook een ruimtelijk gescheiden opstelling nagestreefd heeft – in hoeverre hem dat gelukt is, blijft de vraag. In elk geval heeft hij beide orgels van de kerk gebruikt, en waarschijnlijk het zg. jongens (cantus firmus-)koor bij of in de buurt van het tweede orgel geplaatst.
We zien hier dat maestro Bach (hij signeerde op de titelpagina van dit mega-oratorium met Giovanni Sebastiano Bach – aan een beetje internationaal cachet mocht de in het burgerlijke Leipzig als cantor begraven ex-hofkapelmeester wel vasthouden) zijn musici a.h.w. in conflictmodel posteerde, om er bij de uitvoering weer een eenheid van (proberen) te maken.
Als een van de achterliggende ideeën van de MP te vinden is in de begrippen ‘verzoening’ en ‘samenvoeging’ en hun vele facetten (‘conflictbeheersing’ voor de 21ste-eeuwse lezer), kan elke uitvoering van dit complexe stuk daarmee in praktische zin meteen aan de slag.
Bachs meesterschap laat zich onder andere beleven in zijn vaardigheid om verschillende stemmen, ritmes, beelden en emoties te laten samengaan, wat men zou kunnen beschrijven als de kunst van het overkoepelend harmoniëren, de kunst om heterogene elementen en zelfs absolute tegendelen samen aan hetzelfde eindresultaat te laten bijdragen. Zo beluistert men in het openingskoor tegelijkertijd de gang van de stoet met het kruis naar Golgatha èn een scène uit het Laatste Oordeel, de dies irae, immers, de eerste woorden van de Evangelist in de MP sluiten in het evangelie van Matthäus aan op de ‘Rede over de laatste dingen’, waarin de bokken van de schapen gescheiden worden, en die eindigt met: ‘Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven’. Precies hier plaatst Bach het openingskoor en hiernaar verwijst de Evangelist met: ‘Da Jesus diese Rede vollendet hatte’.
Het door velen aangevoelde Requiem-karakter van de MP blijkt niet alleen uit het bekende feit, dat Bach delen uit de MP tijdens de rouwdienst voor Leopold, Fürst von Anhalt-Cöthen, in 1728 heeft uitgevoerd (op aangepaste tekst), maar ook uit de regels die – vrij naar Horatius – Bachs tekstdichter Picander in de gedrukte uitgave aan het MP-libretto liet voorafgaan:
Wir haben einen Weg, die Stunde geht zu Ende,
Das Schicksal hat allein den Zeiger in der Hand.
Der eine hält sich auf, der andre stirbt behende,
Und endlich decket uns ein allgemeiner Sand.
Wij gaan een weg, begrensd door Tijd, ons slechts ter leen.
Het klokkebeen draait zwijgend langs de urenrand.
De een zal langer toeven, de ander gaat snel heen,
Tenslotte dekt ons allen toe hetzelfde zand.
Eerste uitvoering van de MP na dood van Bach
Aan latere uitvoeringen zijn grote namen uit het muziekleven verbonden. De eerste uitvoering na Bachs dood vond plaats in Berlijn op 12 maart 1829 onder leiding van de twintigjarige Felix Mendelssohn, die daartoe het volledige uitvoeringsmateriaal moest laten uitschrijven [!]. Mendelssohn bracht vele coupures aan. De eerste druk verscheen een jaar later bij Schlesinger in Berlijn. In 1841 heeft Mendelssohn de MP in Leipzig nogmaals uitgevoerd. Ondertussen kwamen Frankfurt 1829, Breslau 1830, Stettin 1831, Kassel en Königsberg 1832, Dresden 1833 aan bod. Na deze eerste golf van geestdrift volgden o.a. Halle 1836 en München 1842.
En toen meldde zich het buitenland. In Londen dirigeerde William Sterndale Bennett (een oude vriend van Mendelssohn die al in 1847 overleden was), de MP op 6 april 1854 in de Hanover Rooms. Men zong in het Engels, op de vertaling van de dames Johnston, uit speciaal gedrukte koorpartijen (‘fresh sheets of lithographed music being produced at each rehearsal’), zoals John Stainer, die als 13-jarige knaap in 1854 meezong en later zijn eigen Crucifixion componeerde, in 1896 in een brief vermeldt. In Wenen liet Johannes Brahms met de Singakademie in 1864 voor ‘t eerst de MP klinken. Parijs volgde in 1885 o.l.v. Charles-Marie Widor met zijn koor La Concordia (de bron van een vermelding van een uitvoering in 1873 in Parijs is suspect). De sprong over de oceaan was toen al gemaakt met de uitvoering door de New York Oratorio Society in 1880.
Begin van de Matthäus Passion-traditie in Nederland
De Nederlandse première beleefde Rotterdam (jawel!) in 1870 o.l.v. Woldemar Bargiel. Amsterdam volgde in 1873. Johannes Verhulst had hier de leiding. In 1878 bracht de latere eerste dirigent van het Concertgebouworkest (CgO) Willem Kes de MP in de Parkzaal. Aan de rand van Amsterdam verrees in 1888 in de weilanden van de boerderij ‘Weltevreden’ het Concertgebouw. Daar klonk de MP voor ‘t eerst op 25 april 1891 o.l.v. Julius Röntgen met het
Toonkunstkoor en het CgO. Willem Kes trad daarbij op als concertmeester. Willem Mengelberg begon zijn lange reeks MPuitvoeringen (met de gebruikelijke coupures) in het Concertgebouw op 8 april 1899, waarbij Johannes Messchaert de Christuspartij vertolkte, met het CgO en het Toonkunstkoor – van beide ensembles was hij de chef-dirigent.
De Nederlandse Bachvereniging begon haar jaarlijkse uitvoeringen in de Naarderkerk op 14 april 1922 o.l.v. Johan Schoonderbeek. Op maandag 21 april 1924 (Tweede Paaschdag), ging de MP door de Nederlandse aether. De radiouitzenddienst van de Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (Hilversum, 1050 M) verzorgde voor de Hilversumsche Draadlooze Omroep de uitzending vanuit de Groote of St. Bavo Kerk te Haarlem, met het Toonkunst Koor afd. Haarlem en het Utrechtsch Stedelijk Orkest o.l.v. Evert Cornelis, die met dezelfde executanten de uitzending op 13 april 1925 verzorgde. Mengelberg volgde op 15 mei 1925.*)
Tenslotte verdienen de vertolkingen door Piet van Egmond met het Amsterdams Oratorium Koor tussen 1936 en 1973, die tot ver buiten Amsterdam furore maakten, vermelding. Helaas waren ook zijn uitvoeringen hoogst zelden integraal, d.w.z. zonder coupures. Toch had in Nederland de eerste integrale uitvoering reeds op 26 maart 1926 in Rotterdam geklonken, o.l.v. (alweer!) Evert Cornelis (†1931).
*) In ‘Historie en Kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest’, deel I (1988, p. 176), spreekt J. Giskes abusievelijk van de ‘Eerste radiouitzending van J.S. Bachs Matthäus-Passion, o.l.v. W. Mengelberg door de Hilversumsche Draadloze [sic] Omroep’ op 15 mei 1925.
Vgl. daarentegen Jan J. van Herpen, De Hilversumsche Draadlooze Omroep, Hilversum 1997, II, p. 41-42; III, p. 74, 106.